De reis van een agnost
17-03-2026

Ik ben niet zeker dat hiërarchie, segregatie en uniformiteit bijdraagt aan verbondenheid en gemeenschap ten koste van authenticiteit en daarmee ‘de waarheid’. Want de bruikbaarheid van ‘de waarheid’ wordt altijd bepaald door haar pendant, de orde. De orde zorgt op zijn beurt altijd voor een consessie op de waarheid, al was het maar door de beperkingen van taal dat de mens nooit een volmaakt natuurgetrouwe weergave kan communiceren.
Wat maakt dat wat wij overeenkomen of iets de werkelijkheid nauwkeuriger weerspiegelt? Is dat afhankelijk van diverse belangen, zienswijzen en authenticiteit? Zorgt deze diversiteit voor een scherpere waardering van ‘de waarheid’? Wanneer een cultuur diversiteit, authenticiteit ofwel inclusiviteit omarmd kan de perceptie van ‘de waarheid’ wellicht eerder op de proef worden gesteld door andere invalshoeken en inzichten.
De mensheid heeft een langdurig proces van ecologische emancipatie doorgemaakt. Dit proces, dat duizenden jaren beslaat en onder andere de ontwikkeling van landbouw omvat, heeft ons in staat gesteld om de natuurlijke beperkingen te overwinnen die andere soorten in toom houden. Denk hierbij aan de ongemakken van klimaat, natuurlijke vijanden, voedselschaarste en ziekten, die traditioneel populaties reguleren. Deze ongemakken hebben we onder anderen weten te beteugelen door overdracht van kennis over architectuur, landbouw, hygiëne en gezondheidszorg. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat wij ons als soort hebben ontkoppelt van de natuurlijke demografie en onze eigen niche hebben geconstrueerd. Deze ‘niche’ of nis hebben we gecreeërd door actieve transformatie van de omstandigheden die het leven bepalen. Een van de redenen waardoor wij dit als diersoort zo succesvol hebben kunnen doen is ons vermogen om intersubjectieve realiteiten te scheppen.
De distinctie tussen- en overeenkomsten van zaken (welke voorzien in de totstandkoming van een intersubjectieve realiteit) is de mens vaak gebruikt om ‘de waarheid’ te omschrijven. Deze vorm van realiteit kan zich tonen in de verbeelding door overeenkomst en onderscheid te bepalen via organische methoden. Deze zijn meestal ingegeven door de behoefte om af te stemmen over bepaalde zaken. Als voorbeeld; wij zijn in der beginnen overeengekomen, wijzende naar een voorwerp, dat om duidelijk te maken dat onze aandacht uitgaat naar dit bepaalde voorwerp wij een bepaald gromgeluid produceren dat bijvoorbeeld klinkt als ‘bal’. Deze bal en alle andere zaken in ons waarneembare universum bestaan mede omdat wij ze observeren, zo getuigen de snaartheorie en kansrekening. Dat werkelijkheid neigt te bestaan, zoals de opvattingen van de snaartheorie dicteren, bedachten de boedhistische monniken 1800 jaar geleden al.
Als sociaal wezen geeft het getouwtrek tussen eens en oneens bij het bepalen van het één of de andere intersubjectieve realiteit de mens zelfbevestiging alsook erkenning en voorziet het in de behoefte van betekenis en invloed. In strijd daarmee heeft de mensheid de behoefte gevoeld om, los van het eigen ego, dankbaarheid, achting en angst te uiten voor een hogere macht. Aan deze hogere macht wordt ook heden ten dage nog grootse natuurfenomenen en het onverklaarbare toegeschreven. Evengoed kan het transcendente worden geuit met de socratische wijsheid “ik weet dat ik niet weet”. Wanneer een wetenschappelijke vraag beantwoord is roept deze nog meer vragen op en volstaat het een enkele keer om, in de naam van verbondenheid, te zeggen “ik geloof”.
De bron van betekenis voor mij is de verbondenheid. God, zoals Spinoza hem omschreef, die zich openbaart in de wetmatige harmonie van het bestaan, is verbonden met de natuur. De natuur, waarvan de studie niet verboden zou moeten worden door geestelijken maar juist aangemoedigd zoals rationalisten, en de gnostici millenia voor hen, geloofden. Daarbij zou het weten van ‘de waarheid’ niet het doel moeten zijn maar de reis zelve.